New York City

Er is meer in het leven dan pretparken alleen. Hahaha… Yeah right. Het klinkt misschien bekend in de oren: vrienden of familie die je gek verklaren omdat je de halve planeet overvliegt voor een paar achtbanen. ‘Waarom reis je helemaal naar Japan als je ook naar ‘Disneyland’ in Parijs kan?’ vragen ze dan met een blik die duidelijk maakt dat men er geen moer van begrijpt. Je zucht. Je probeert vervolgens met hart en ziel uit te leggen dat ‘het tweede park in Tokio toch écht een trapje (of zeg gerust een volledige trappenhal) hoger staat dan die afschuwelijke Walt Disney Studios’. Het zuinige gebaar van de tegenpartij maakt duidelijk dat jouw verdediging echter weinig tot geen indruk maakte. Je bent en blijft die vreemde Themepark Boy, een etiket dat schijnbaar levenslang op je voorhoofd blijft plakken. Weg met die clichés! Weg met het paar ogen dat je onbegrijpend aankijkt! Weg met de discriminatie van pretparkliefhebbers! Het is tijd om het heft in eigen handen te nemen en de buitenwereld duidelijk te maken dat je leefwereld verder gaat dan het geilen op gebogen staal, ratelend coasterhout en kinderlijke mascottes. Het is tijd om op een cultureel verantwoorde wijze de wereld te ontdekken (publiek scandeert ‘Ja’)! Met wereldsteden (publiek roept luid ‘Ja’)! Met theater (publiek schreeuwt ‘Ja’)! En zonder achtbanen (publiek wordt wild)! Hey wacht ‘ns even… wat zei je daar op het einde? Slik.

Pretparkloos op reis. Het is eens wat anders. Maar in zekere zin komt de uitdaging goed uit. Nick en ik willen al jaren naar dat oh-zo bejubelde New York City, de stad die al sinds jaar en dag een hotspot is voor citytrippers uit alle verste uithoeken van de planeet. Die reislustigen kunnen na hun uitje doorgaans niet zwijgen over de cosmopolitische extase die ‘The Big Apple’ hen opleverde en hoe graag ze onmiddellijk terug zouden keren. Redenen genoeg dus om aan te nemen dat New York een degelijke keuze is om m’n resterende vakantiedagen van 2014 aan te spenderen. It’d better be worth it.

New York is niet nieuw in de meest strikte zin van het woord. Tussenlandingen richting Las Vegas en Orlando (wat had je anders gedacht?) brachten me in het verleden reeds op ‘Newark Liberty’ en de bekende ‘John F. Kennedy’-luchthaven. Vanuit de terminals en door het krappe vliegtuigraampje tuurde ik dus uiteraard wel ‘ns naar de skyline die daar ergens aan de horizon lag. Mooi om te zien, maar nooit kon ik er echt het beeld in herkennen dat honderden filmscènes en ontelbare foto’s in m’n hoofd opgebouwd hadden. Vandaag komt daar eindelijk verandering in. Welkom in New York City.

Het vakantiegevoel waarmee New York ons tijdens de namiddag van zaterdag één november verwelkomt: regen. Gietende regen zelfs. Wanneer we met een fameuze gele taxi richting binnenstad sjezen – of mag ik het tijdens dit volle spitsuur simpelweg als stilstaan beschrijven? – lijkt er meer water uit de hemel te vallen dan België in een gemiddelde maand te verduren krijgt. De van oorsprong Indische chauffeur stelt ons echter gerust dat de hemel later vanavond zal opklaren en dat we prachtige herfstdagen tegemoet gaan. Na de onvermijdelijke small talk blijkt zijn oom trouwens in ons wondermooie Belgenlandje te wonen. Cool hoor, maar vind jij het ook zo bijzonder dat letterlijk élke op fooi azende Amerikaan een familielid heeft in België? Ik zal het als puur toeval categoriseren.

Over het bestaan van de Belgische oom valt te twisten, maar het is een feit dat mister taxidriver bijzondere gaven heeft om het weer te voorspellen. Wanneer hij ons na wild gemanoeuvreer tussen steeds gigantischer ogende hoogbouw aan ‘Times Square’ dropt, valt er inderdaad nog hooguit wat motregen uit de half opgeklaarde hemel. We stappen uit, berekenen de fooi net iets minder royaal dan de veertig procent die hij ons aanraadt en sleuren onze volgepakte koffers op de stoep alias voetgangerssnelweg. Zo belanden we – ietwat versuft door de vlucht van daarstraks – in de rush van de Grote Stad. Een rush die onafhankelijk van seizoen, maand, dag of uur blijft voortrazen als een niet te stoppen hogesnelheidstrein. Maar voor we aan boord springen, lijkt de rust van onze hotelkamer ideaal als broodnodige pitstop. Nick en ik reserveerden in het ‘Crowne Plaza’ dat zich quasi op Times Square vestigde. Sterker nog: vanuit onze kamer op de vierentwintigste verdieping – die wordt in deze stad overigens gedefinieerd als een ‘lower floor’ – kijken we rechtstreeks op de actie van wat misschien wel ’s werelds beroemdste plein is. Driedubbele beglazing houdt de bittere avondkoude en het constante getoeter van duizenden taxichauffeurs gelukkig netjes buiten, zodat wij hier genieten van een volmaakte nachtrust. De dankbaarheid voor die goddelijke bedden wordt vertaald naar het viercijferige bedrag dat m’n kredietkaart volgende maand aan ‘Crowne Plaza’ overmaakt. Vooroordeel nummer één wordt dus glansrijk bevestigd: neen, New York is niet goedkoop.

Times Square, het centrum van de wereld. Reuzen van staal, beton en glas omsluiten een plein waarop de massahysterie vol haastige locals en nieuwsgierige toeristen nooit echt schijnt uit te doven. Zonnestralen reiken hier omwille van de enorme kantoorgebouwen eerder zelden tot het straatniveau, maar toch baadt Times Square 24/7 in een kristalheldere gloed. Billboards en reclameschermen variëren van klein en middelgroot tot aan de meest absurde proporties die je ooit voor mogelijk hield. Tel het aantal vierkante meters aan flitsende led-schermen op en je evenaart wellicht de oppervlakte van een gemiddeld Vlaams dorp. Tussen al die fel oplichtende, peperdure advertentieruimte ligt een speeltuin die het evenwicht zoekt tussen commercie en marginaliteit. Souvenirshops zijn er volgestouwd met de meest waardeloze rommel, de schrale familieleden van Mickey en Minnie poseren er voor bescheiden donaties op je familiefoto en hotdogkraampjes vullen de lucht met rokerige tot ronduit afschuwelijke geuren. De gladde jongen die ons uitnodigt voor een exclusieve peepshow vol ‘georgeous girls’ vangt tot z’n eigen verbazing helemaal bot. Geef ons maar… Disney? Het echte Disney, welteverstaan.

Het officiële welkom in New York laten we verzorgen door Adam Jacobs, Courtney Reed en James Monroe Iglehart. Nooit van hen gehoord? Wel, ik eerlijk gezegd ook niet. De namen van hun alter ego’s klinken echter bekender in de oren: vanaf acht uur vanavond zien we hen schitteren als Aladdin, Jasmine en Genie. ‘Times Square’ omvat namelijk meer dan billboards en clochards. Het is eveneens het bruisende centrum van New Yorks beroemde theaterdistrict. Op en rond Broadway sieren enorme borden vol knipperende lampjes de toegangspoorten van tientallen theaters. Wat we verwachten van een gemiddelde Broadway-productie? Fabelachtige decors, schitterende kostumering, veel bling-bling en (vooral) songs om bij weg te dromen. We krijgen het allemaal en dat zelfs in beduidend hogere proporties dan we ooit durfden wensen.

Ja, Agrabah blijkt opeens een stad vol in de maat dansende en perfect toonvast zingende musicalacteurs. Men gaat hier in het ‘New Amsterdam Theatre’ trouwens verder dan een zuivere reproductie van de gelijknamige film uit 1992. Disney pimpte die animatiefilm immers aanzienlijk met behulp van nieuwe personages en een interessante verhaallijn rond de meest hechte vrienden van Aladdin. Het is echter niet die vriendenkliek of Aladdin die de show stelen. Neen, net als bij de vergelijkbare voorstelling in ‘Disneyland Anaheim’ is het voornamelijk Genie die het tempo bepaalt. Die rol is weggelegd voor James Monroe Iglehart, een musical-legende die vanavond al een laaiend enthousiast applaus oogst zonder ook maar één woord uit te brengen. En hoewel ik moet toegeven dat z’n performance van ‘Friend Like Me’ garant staat voor acht minuten non-stop genialiteit (pun intended), laten de man en z’n andere scènes me verder helaas grotendeels koud. Vanuit commercieel standpunt begrijp ik Disney’s keuze om de voorstelling grotendeels rond wereldster Iglehart op te bouwen, maar ergens voelt de one-man-show een beetje wrang aan.

Van een one-man-show op zaterdagavond naar een two-women-show op zondagmiddag. Die girlpower danken we aan Galinda en Elphaba, de twee hoofdrollen in Stephen Schwartz’s succesvolle ‘Wicked’. De voorstelling gaat over de aanvankelijk moeilijke relatie tussen beide dames, maar gaandeweg zien we hoe er zich een onvoorwaardelijke vriendschap ontwikkelt tussen verwende Galinda en de onpopulaire Elphaba. Indien het hele entertainmentwereldje je niet interesseert, klinkt ‘Wicked’ misschien volkomen nieuw in de oren. Toch staat deze productie bekend als een van de meest toonaangevende op Broadway en daar zijn de onsterfelijke songs ‘Defying Gravity’ en ‘For Good’ wellicht mede verantwoordelijk voor. Hoewel de achterliggende verhaallijn rond heksen en ‘The Wizard of Oz’ me op het eerste zicht nauwelijks boeit, bezorgt ‘Wicked’ uiteindelijk van de eerste tot de laatste seconde hardnekkig kippenvel. Ik had trouwens niets anders verwacht: de variant in het Londense West End deed enkele maanden eerder exact hetzelfde. Kortom: mis deze kleurrijke reis naar ‘The Emerald City’ niet, want het is meer dan de moeite (en het prijzige toegangskaartje) waard. ‘Wicked’ doet mij op deze zondag bijvoorbeeld moeiteloos vergeten dat er een mannetje hardnekkig met een hamer op m’n hoofd staat te kloppen. Figuurlijk gelukkig.

Ik neem aan dat die vorige twee zinnen enige duiding vergen. Kernbegrippen als ‘loungebar’, ‘The Ritz’, ‘gin-tonic’ en ‘méér gin-tonic’ geven wellicht voldoende informatie. Jammer dat het feestje de volgende ochtend min of meer verder blijft duren in m’n hoofd, maar ’t was een onvergetelijke zaterdagnacht in uitgaanswijk ‘Hell’s Kitchen’. Dankzij de overgang van zomer- naar wintertijd definiëren we ons uurtje extra slaap overigens niet als verloren tijd. Braver, maar beslist niet minder gezellig is ons uitje vierentwintig uur later. Cocktaillounge ‘230 on Fifth’ wordt aangeraden door een local en het concept blijkt te mooi om waar te zijn: een verwarmde (!) openluchtbar op het dak van een gigantisch kantoorgebouw. En daar zit je dan, onder een fleecedeken en nippend aan een ‘Cucumber Mojito’ terwijl warmtestralers zowat elk tafeltje in een – letterlijk – warm rood licht doen baden. Het is een uitzonderlijk zicht: rond ons trekken tientallen strak in het pak gehesen locals en nette toeristen eveneens zo’n rood deken over de knieën. Het creëert een ongedwongen sfeertje en de bar komt (ondanks haar best aanzienlijke prijscategorie) relatief pretentieloos over. ‘230 on Fifth’ is dus een ideaal adresje om van heerlijke drankjes en een indrukwekkend uitzicht op de iconische ‘Empire State Building’ te genieten. Bovendien vormt het – net zoals ‘The Ritz’ gisteravond – een tijdelijke vlucht uit het honderd procent toeristische segment. Dat levert waardevolle pluspunten.

Toeristen ontlopen is tof, maar op maandag en dinsdag ontkomen we er gewoonweg niet aan. Tijdens die twee dagen hangen we immers zélf de toerist uit. Je weet wel, compleet met rugzak, stadsplan en zo’n suf miniboekje waarin de ene highlight na de andere aangeraden wordt. Ook de zonnebril gaat mee, want het ijskoude en natte weer van afgelopen weekend is inmiddels omgeslagen in een lenteachtig tafereel met blauwe hemels en een heerlijk schijnend zonnetje. Het geeft onze inmiddels bekende thuishaven Times Square een heel wat aangenamere aanblik, maar helaas verdwijnen we er al snel ondergronds. De snelste en handigste manier om je door de binnenstad van New York te verplaatsen, is namelijk per metro. Onder de straten en wolkenkrabbers zit ruim duizend kilometer spoor verscholen en overvolle treinstellen rijden daar af en aan in alle mogelijke windrichtingen. Van alle metronetwerken die ik de afgelopen jaren zag in grootsteden, schijnt die van het cosmopolitische New York vreemd genoeg veruit de meest verouderde en claustrofobische. De hypermoderniteit van pakweg Singapore of Hong Kong lijkt bijvoorbeeld verder weg dan ooit. Voor het te verwaarlozen prijsje mogen we echter niet klagen en we staan (zoals verwacht) snel aan de andere kant van de stad. Bij de ‘South Ferry Terminal’ om precies te zijn.

‘South Ferry’ is een verkeersknooppunt waar verscheidene metrolijnen en een aantal veerdiensten samenkomen. Er vertrekken hier ondermeer ferry’s richting ‘Ellis Island’ en naar ‘Liberty Island’, waar het beroemdste standbeeld van de stad (en misschien zelfs van de hele planeet) staat. Tonnen toeristen worden dagelijks naar het piepkleine lapje grond vervoerd, want hoe kan je nu New York City bezocht hebben zonder het Vrijheidsbeeld gezien te hebben? Vervolgens maakt de menigte een verplichte selfie of poseert men met een denkbeeldige fakkel in de rechterhand en een boek in het linkerhand voor een origineel – kuch – plaatje. Ten slotte gaat men op ontdekking om na een seconde of twintig te merken dat er naast de groen gekleurde dame helemaal niks te zien is. En daarvoor betaalde je dus vijfentwintig dollar. Bummer! Gelukkig voor ons is er vanuit ‘South Ferry’ ook een gratis alternatief voorhanden: de veerboot naar Staten Island. Met deze boottocht komen we weliswaar niet òp het eiland, maar we kunnen op z’n minst een aantal foto’s maken terwijl we op een paar honderd meter van het enorme standbeeld voorbij varen. We zijn niet de enigen met dit meesterlijke plan en toeristenloos is de overzet dus allerminst. Aangezien er op Staten Island naar verluidt helemaal niks te zien valt, keren we tezamen met het merendeel van hen overigens direct terug op de eerstvolgende ferry. Tijdens de terugtocht focussen we trouwens minder op het Vrijheidsbeeld. De traag naderende skyline van Manhattan blijkt minstens tien keer imposanter.

Na een ‘Chicken Teriyaki’ bij ‘Subway’ zijn we klaar voor de zonovergoten namiddag. Het vrolijke weertje staat echter in schril contrast met de wrange sfeer die we proeven. Via ‘Trinity Church’ en een bescheiden glimp op zakencentrum ‘Wall Street’ arriveren we namelijk bij ‘Ground Zero’. Wanneer we de huidige oase van groen en sereen klaterend water bereiken, is het moeilijk om in te beelden dat hier ooit twee 110 verdiepingen tellende wolkenkrabbers stonden. Het is echter nog onmogelijker om de chaos en destructie van die bewuste zwarte dag in 2001 voor te stellen. Elf september was aanvankelijk immers een doodgewone zonnige najaarsdag, net als deze derde november ruim dertien jaar later. Tegenwoordig wordt de ruimte benut door een minimalistisch, doch imposant monument dat de grondafdruk van de voormalige gebouwen benadrukt. Rondom twee schijnbaar oneindige watervallen graveerde men de namen van de slachtoffers die 9-11 maakte. Hier en daar ontdekken we een witte roos bij de gravures; het stille signaal dat de persoon in kwestie vandaag jarig geweest zou zijn. Je moet al een onmens zijn om ‘Ground Zero’ als emotioneel nietszeggend te ervaren. Laat de ijzingwekkende stilte op de nochtans druk bezochte herdenkingsplaats daar een ijzersterke getuige van zijn.

Hoewel ‘Ground Zero’ voor eeuwig een litteken zal blijven in de geschiedenis van New York, bewijst de stad enkele meters verder dat het sterker dan ooit aan de toekomst bouwt. ‘One World Trade Center’ is de vervanger van de voormalige Twin Towers en torent nog statiger, moderner en hoger boven de nabijgelegen hoogbouw dan haar beide voorgangers. Het interieur van de wolkenkrabber nadert tijdens onze reis haar voltooiing, net als het architecturaal verbluffende metrostation dat eind 2015 zou moeten openen. Het financiële hart van New York City geraakt dus langzaam maar zeker terug op de rails.

Sommige must-see’s doen heel wat met een mens, andere zijn – om het in pretparktermen uit te drukken – louter materiaal voor de counter. Soms is een brug immers gewoon een manier om de rivier over te steken en is een station weinig meer dan een plek waar treinen halt houden. Tot zover mijn ervaring met ‘Brooklyn Bridge’ en ‘Grand Central Terminal’. Eender welke reisgids onderstreept en markeert de beide bouwwerken in alle mogelijke kleuren, maar je hebt er als toerist nu eenmaal heel weinig te zoeken. We schieten dus het verplichte beeldmateriaal van de iconische brug en zetten ook de stationshal en haar vol patriottisme gespannen ‘Stars & Stripes’ op de gevoelige plaat, maar in alle eerlijkheid: that’s it.

Sierlijk aangelegde grasperken, rotspartijen, idyllische kasteeltjes en duizenden loofbomen die met hun gele en rode herfstkleuren schitteren in de ondergaande zon. Het typische clichébeeld van New York City is dat inderdaad niet. Toch is het exact datgene waar het wereldberoemde Central Park haar voornaamste sterkte uit put. Het is surrealistisch om middenin de drukte van de binnenstad een groene oase van een indrukwekkende drieënhalve vierkante kilometer te vinden, maar exact daardoor is Central Park zo’n bijzondere plek. Joggers en spelende kinderen palmen het terrein tijdens deze prachtige namiddag in. Hoewel de stad nooit ver weg is – in de vele meren en waterpartijen weerspiegelt quasi op elk moment wel de hoogbouw van Manhattan – vergeet ik hier haast dat we in het centrum van ‘The Big Apple’ zijn. De geürbaniseerde jungle versus de ontspannende groene zone; de tegenstrijdigheid maakt het verhaal zo mogelijk nog mooier.

Van zodra de schemering zich in een totale duisternis getransformeerd heeft (iets wat met dank aan ons befaamde winteruur al rond een uur of vijf het geval is), ruilen we de rust opnieuw in voor de actie van Fifth Avenue. Je kent het wel: dat soort actie waarin mannen verveeld met tientallen tasjes zeulen terwijl vrouwlief de kredietkaart van meneer wel verrassend vlot heen en weer swipet. Fifth Avenue is dé winkelstraat bij uitstek en in deze laan prijkt het ene topmerk dus naast het andere. Wie geen geld teveel op zak heeft – bijvoorbeeld omdat je het de vorige avond nogal rijkelijk aan Hendrick’s en Tanqueray spendeerde – is er relatief snel op uitgekeken. Je kan gerust ‘ns binnenspringen bij de ‘Apple Store’, al lijkt die ook in New York City eerder strakke houten tafels dan hoogtechnologische speeltjes te verkopen. We houden het dus bij vaste adresjes à la ‘Hollister’ en ‘Abercrombie & Fitch’. Binnenin de tot tropische temperaturen verhitte, sterk verduisterde boetieks merken we al vlug dat het personeel omwille van een rechtszaak rond discriminatie lang niet meer is wat het ooit geweest is. Dat is jammer, want voor een trui voor 180 dollar kom ik hier stiekem ook niet.

We houden het die avond rustig en duiken opnieuw de gemoedelijkheid van ‘Hell’s Kitchen’ en haar kleinschalige bars in. Nick en ik voelen hoe het einde van ons avontuur snel dichterbij komt, want op dinsdagmiddag voert mister taxidriver (juist, die met de Belgische oom) ons reeds van ‘Times Square’ naar JFK. Een van de laatste must-do’s nog ontbreekt op ons lijstje, sluit de citytrip echter in schoonheid af: ‘Rockefeller Center’. Je kent dit complex als de plaats waar men ieder jaar met veel tromgeroffel de beroemde kerstboom onthult. Voor die kerstboom zijn we een maand te vroeg, maar de bijhorende schaatspiste is reeds up and running en trekt tientallen kijklustigen. Het tussen betonnen giganten ingesloten ‘Rockefeller Square’ is vanmiddag een heerlijke plek waar zowel locals als toeristen van hun streepje zon en de frisse lucht genieten. We gaan met plezier op in het stadse tafereeltje, maar we zijn hier voornamelijk voor ‘Top of the Rock’. Dat is een van de, zoniet het beroemdste panoramische uitzichtpunt van de stad en het torent een indrukwekkende 250 meter boven straatniveau. Da’s lager dan het panoramaplatform van het ‘Empire State Building’ en veel lager dan het gloednieuwe ‘One World Observation Deck’, maar ‘Top of the Rock’ staat alsnog bekend voor haar onvergetelijke views op Central Park en downtown Manhattan. Is het de moeite waard? Tja, dat moet je zelf bepalen. Dertig dollar is immers niet niks om snel wat standaardfoto’s te scoren. Dankzij het heldere weer kunnen we echter vele kilometers in de verte staren (hallo Vrijheidsbeeld!) en het is sowieso best een fijn gevoel om op het dak van deze wereldstad te staan.

Het lijkt voorbestemd. Na twee prachtige dagen sightseeing wordt de hemel opnieuw bedekt door een grijs wolkenpak wanneer we richting luchthaven gevoerd worden. De citytrip in het centrum van de wereld zit erop en de Belgische realiteit komt plots angstaanjagend dichtbij. Op zulke momenten ga je evalueren. Was New York City de moeite waard? Ja! Wil ik hier in de toekomst nog ‘ns heen? Tuurlijk, liefst zelfs langer dan drieënhalve dag. Is New York een wereldstad? Vast en zeker. Pas bij de vraag ‘Is dit mijn nieuwe favoriete stad?’ volgt er een twijfelachtig antwoord. New York is groots, gigantisch zelfs. Maar ergens leek ik de samenhang en ziel van het geheel te missen. Ik kan vlot enkele Aziatische en zelfs Amerikaanse steden opnoemen die me op dat vlak beter wisten te boeien. Eén groot voordeel: nu ik de door reisgidsen opgelegde adresjes heb afgevinkt, zal er tijdens een volgend bezoek meer tijd zijn om het uitgaansleven en de mensen buiten de toeristische zones te ontdekken. Het kleine voorproefje dat we daar ditmaal van kregen, smaakte nu eenmaal naar meer.

Et voilà, dat was het pretpark- en creditloze citytripje van 2014. Afkickverschijnselen zijn er niet, al moet ik twee dingen bekennen. Natuurlijk hebben we snel opgezocht of een rondje ‘Cyclone’ in ‘Coney Island’ tot de mogelijkheden behoorde, maar de boardwalk had haar zomerseizoen pas enkele dagen geleden afgesloten. Stiekem is er bovendien ook gecheckt of ‘Six Flags Great Adventure’ geen optie was, maar dat had ons één briljante musicalvoorstelling plus verscheidene waardevolle uren in de binnenstad gekost. Wees dus trots op Nick en Glenn, want ze weerstonden op heroïsche wijze aan de verleiding! En euhm… vergeet by the way even dat we de vijf dagen voor onze aankomst op New Yorks grondgebied in Anaheim doorbrachten. Maarja… wie let er nu op zulke details?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s